2023-01-30

De liefde voor paardenhouderijen en de paardensport in het algemeen is terug in opmars. Veelal rijst er wel een vergunningenproblematiek. Doorslaggevend voor de beoordeling of een paardenhouderij thuishoort in agrarisch, dan wel bv. recreatief gebied, zal niet de aangevraagde infrastructuur zijn, maar wel de aard van het bedrijf. Uit de motivering van de vergunningverlenende overheid moet blijken dat zij, los van de door de aanvrager zelf gegeven kwalificatie, de concrete feitelijke elementen van het dossier heeft onderzocht om het zwaartepunt van de activiteiten te bepalen en in het licht daarvan na te gaan of het aangevraagde dient voor (para)-agrarische activiteiten dan wel recreatie. Zoniet riskeert de vergunningsbeslissing door de Raad voor Vergunningsbetwistingen (RvVb) te worden vernietigd.

Agrarisch gebied is één van de planologische grondbestemmingen in het Vlaamse Gewest zoals omschreven in de gewestplannen. Overeenkomstig artikel 11.4.1. van het Inrichtingsbesluit zijn agrarische gebieden bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Zij mogen enkel de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven bevatten. Noch de term landbouw, noch de term para-agrarisch bedrijf worden in het Inrichtingsbesluit gedefinieerd. Bij gebrek aan nadere omschrijving moeten deze termen volgens de RvVb in hun spraakgebruikelijke betekenis worden geïnterpreteerd. Dat sluit aan bij de jarenlange gevestigde zienswijze van de Raad van State.

Zoals artikel 11 Inrichtingsbesluit zelf aangeeft, moet de term landbouw ruim worden geïnterpreteerd. Niet alleen het bewerken van het land en de teelt van gewassen valt hier onder, maar ook veeteelt. In die zin, is er geen discussie dat het fokken van paarden een agrarisch activiteit is. Of het houden van paarden als een para-agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt, is veel minder eenduidig. Volgens de RvVb moet onder para-agrarisch worden verstaan die bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw in de ruime zin aansluit en erop afgestemd is.

De RvVb verduidelijkte dat niet alleen de activiteiten bepalend zijn om uit te maken of de aanvraag planologisch verenigbaar is, maar dat evenzeer de aard van het bedrijf van de aanvrager een doorslaggevend criterium is (RvVb 6 oktober 2015, nr. RvVb/A/1516/0075; RvVb 14 maart 2017, nr. RvVb/A/1617/0651; RvVb 22 mei 2018, nr. RvVb/A/1718/0879; RvVb 28 augustus 2018, nr. RvVb/A/1718/1215).

De Omzendbrief van 8 juli 1997 inzake gewestplannen stelt dan weer dat paardenhouderijen met minstens 10 paarden para-agrarisch zijn op voorwaarde dat de hoofdactiviteit gericht is op het fokken en/of houden van paarden en eventueel bijkomend op het africhten, opleiden en/of verhandelen ervan, en afhankelijk van de omvang van de paardenhouderij als activiteit, inclusief de aanhorigheden, zoals bergingen voor voeder, materiaal en onderhoud, de gebeurlijke manege, binnen- of buitenpiste, een tredmolen, een groom, verhardingen en afsluitingen…

In zijn arrest van 23 juni 2020 oordeelde de Raad van State evenwel dat de Omzendbrief geen rechtsregels bevat (RvS 23 juni 2020, nr. 247.860). Een vergunningverlenende overheid kan zich dan ook niet beperken tot het louter verwijzen naar de Omzendbrief om het aangevraagde al dan niet goed te keuren.

In enkele recente arresten vernietigde de RvVb telkens de door de Deputatie verleende vergunning voor het houden van paarden en overwoog zij dat de vergunningverlenende overheid onvoldoende, los van de door de aanvrager zelf gegeven kwalificatie, de concrete feitelijke elementen van het dossier had onderzocht om het zwaartepunt van de activiteiten te bepalen en in het licht daarvan na te gaan of het aangevraagde diende voor (para)-agrarische activiteiten dan wel recreatie (RvVb 8 oktober 2020, nr. A-2021-0122; RvVb 3 februari 2022, nr. A-2122-0432; RvVb 4 augustus 2022, nr. A-2122-1019).

Meer dan conclusies te trekken uit deze arresten of een welbepaalde vorm van paardenhouderij recht geeft op een vergunning of niet, is het zaak voor de aanvrager om te onthouden dat een paardenhouderij in aanmerking ‘kan’ komen voor een vergunning in agrarisch gebied en zijn aanvraag op basis van concrete feitelijke elementen zo goed mogelijk te onderbouwen. Hierbij zal niet de aangevraagde infrastructuur doorslaggevend  zijn, maar wel de aard van het bedrijf voor het beoordelen of het bedrijf thuishoort in agrarisch gebied, dan wel in recreatief gebied. Het doel en de wijze van uitbating zullen hierbij van belang zijn. Zo zal een pure recreatieve activiteit zoals een manege (waarbij de nadruk ligt op het trainen van de ruiter en niet van het paard) of een inrichting voor ruitersport en een rijschool in principe niet thuishoren in agrarisch gebied. Ook loutere paardenstallen bij particulieren horen er niet thuis. Een professioneel uitgebate paardenhouderij hoort hier o.i. wel in thuis. Wat betreft het hobbystallen voor paarden, kan weliswaar nog worden verwezen naar artikel 4.4.8/2 VCRO dat voor sommigen een uitweg kan bieden voor het zonevreemd stallen van paarden in agrarisch gebied.

Voor meer uitleg kan u steeds Schuermans advocaten contacteren.

Meer nieuws

2024-05-24

Erkenning van Schuermans advocaten door Leaders League 2024

Ga verder
2024-05-23

AI – Verordening nu ook goedgekeurd door de Raad van de Europese Unie

Ga verder
2024-05-16

Tot ziens wegwerpeconomie! Een nieuwe weg naar het herstel van producten

Ga verder