Nieuw Burgerlijk Wetboek en uitbreiding van het vrij bewijsstelsel

In een eerdere nieuwsbrief hebben wij U reeds bericht over het nieuwe bewijsrecht, ingevoerd bij Wet van 13 april 2019, BS. 14 mei 2019.

De nieuwe Wet treedt thans in werking op 1 november 2020.

De regels van Boek 8 zijn van aanvullend recht, tenzij anders in de Wet zelf is bepaald.

Boek 8 brengt geen revolutie teweeg, doch hier en daar worden wat versoepelingen ingevoerd in vergelijking met het huidige bewijsrecht, samen met enkele vernieuwingen teneinde de bewijsvoering te moderniseren en aan te passen aan de huidige behoeftes van de maatschappij.

Zo wordt aan partijen o.m. de wettelijke algemene verplichting opgelegd om mee te werken aan de bewijsvoering.

Nieuw is ook dat de rechter – in buitengewone omstandigheden – de bewijslast tussen partijen kan omkeren. Hij kan aldus bepalen wie de bewijslast draagt wanneer de toepassing van de normale bewijslastregels kennelijk onredelijk zou zijn. De rechter moet zijn vonnis hiertoe grondig motiveren. Hij kan de bewijslast pas omdraaien nadat hij alle nuttige onderzoeksmaatregelen heeft bevolen, gecontroleerd heeft dat de partijen effectief meewerken aan de bewijsvoering en vaststelt dat er alsdan nog steeds geen voldoende bewijs is geleverd. De omkering van de bewijslast door de rechter betreft steeds een ultimum remedium.

Een van de belangrijkste nieuwigheden in het nieuwe bewijsrecht is echter de uitbreiding van het vrij bewijsstelsel.

Binnen het vrij bewijsstelsel kan het bewijs van een rechtshandeling geleverd worden op eender welke manier. Een geschrift (lees onderhandse of authentieke akte) is m.a.w. niet nodig. Zo kan zelfs een sms of een vermoeden volstaan.

Het huidige plafond voor de vrije bewijslevering wordt in het nieuwe bewijsrecht substantieel verhoogd van 375 euro naar 3.500 euro.

Boven of gelijk aan dit bedrag van 3.500 euro dient het bewijs geleverd te worden aan de hand van een ondertekend geschrift (=gereglementeerd bewijsstelsel).

Uitzonderingen op dit gereglementeerd bewijsstelsel zijn:

  • de bewijslevering van eenzijdige rechtshandelingen (aanbod, aanvaarding, uitoefening van een rechtstreekse vordering,…)

Ongeacht hun waarde, mogen deze eenzijdige rechtshandelingen steeds met alle middelen van het recht worden bewezen.

Voor een eenzijdige verbintenis tot betalen geldt hierop wel een uitzondering: voor het bewijs van een dergelijke rechtshandeling is een geschrift vereist, dat de handtekening bevat van de persoon die zich verbindt, alsmede de vermelding door hemzelf geschreven, van de som of hoeveelheid voluit in letters uitgedrukt.

  • de vrije bewijsvoering tussen en tegen ondernemingen

Deze regel wordt uitgebreid naar alle ondernemingen, dus ook  t.a.v. vrije beroepen en landbouwers.

De vrije bewijsvoering geldt wel alleen voor een handeling gesteld door een onderneming en tegen een onderneming. Ze geldt niet wanneer een onderneming een rechtshandeling wil bewijzen tegen een partij die geen onderneming is.

Ook de bijzondere wettelijke bewijswaarde van een aanvaarde of niet-betwiste verkoopfactuur wordt  uitgebreid tot alle soorten facturen, ongeacht de achterliggende overeenkomst (bv. vervoer, allerhande diensten). Een dergelijke factuur levert tegen de onderneming het bewijs van de aangevoerde rechtshandeling op. Tegenbewijs blijft uiteraard wel mogelijk. Verder verduidelijkt de Wet dat de aanvaarding van een factuur door iemand die geen onderneming is, slechts een feitelijk vermoeden uitmaakt. Ook het gebrek aan betwisting van een factuur door een persoon die geen onderneming is, kan niet worden beschouwd als aanvaarding, behalve wanneer de afwezigheid van betwisting een omstandig stilzwijgen uitmaakt.

  • bewijs van rechtshandelingen tegen derden, ook al gaat het om rechtshandelingen waarvan de waarde minstens 3.500 euro bedraagt.

Voor meer informatie kan U steeds Schuermans advocaten contacteren.