Hof van Beroep Luik verduidelijkt toepassingsvoorwaarden voormalig artikel 18 Faillissementswet (thans artikel XX.112 Wetboek Economisch Recht)

Bij arrest van het Hof van Beroep Luik van 19 juni 2018 (A.R. 2017/RG/896) werden de toepassingsvoorwaarden van voormalig artikel 18 Faillissementswet verduidelijkt.

Artikel 18 Faillissementswet bepaalt als volgt:

 “Alle andere betalingen door de schuldenaar wegens vervallen schulden gedaan, en alle handelingen onder bezwarende titel door hem aangegaan na de staking van betaling en voor het vonnis van faillietverklaring, kunnen niet-tegenwerpbaar verklaard worden, indien zij die van de schuldenaar iets hebben ontvangen of met hem hebben gehandeld, kennis hadden van de staking van betaling.

Deze wetsbepaling werd weliswaar opgeheven door artikel 70 Wet 11 augustus 2017 (BS 11 september 2017) met ingang van 1 mei 2018 (art. 76 zelfde wet), doch heeft thans nog uitwerking met betrekking tot alle faillissementen van vòòr 1 mei 2018.

Bovendien is voormeld artikel 18 Faillissementswet thans opgenomen in artikel XX.112 Wetboek Economisch Recht.   

Volgens voormeld arrest vereist artikel 18 Faillissementswet 2 voorwaarden om tot de niet-tegenwerpbaarheid van de betaling te kunnen besluiten:

  1. de betaling moet gebeuren in de periode tussen de datum van de staking van betaling en de datum van het vonnis van faillietverklaring; en
  2. diegene aan wie werd betaald, moet geweten hebben dat de gefailleerde geen betalingen meer mocht verrichten.

Indien aan deze voorwaarden is voldaan, dient de kwestieuze betaling niet-tegenwerpbaar aan de massa te worden verklaard.

Bij het beoordelen van voormelde tweede voorwaarde – met name de kennis in hoofde van de ontvanger van de betaling inhoudende dat de gefailleerde geen betalingen meer mocht verrichten – moet de rechter zich uiteraard plaatsen op het moment van de betaling.

In casu mocht deze kennis ten tijde van de betaling blijken uit het feit dat de ontvanger van de betaling voor faillissement reeds in de procedure van gerechtelijke reorganisatie betrokken was en dus kennis had van elke daarin genomen beslissing.

Bijgevolg oordeelde het hof dat zowel aan de eerste als de tweede voorwaarde voldaan was en werd de kwestieuze betaling niet-tegenwerpbaar aan de massa verklaard.