Artikel 1326 BW van toepassing op schulderkentenis

In een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 3 mei 2016 oordeelde de Rechtbank dat een document tot erkenning van de lening van een geldsom moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1326 BW (en niet aan die van artikel 1325 BW).

Artikel 1326 BW schrijft voor dat een onderhandse belofte waarin een partij zich tegenover een andere partij verbindt om haar een geldsom te betalen geheel moet geschreven zijn met de hand van de ondertekenaar. Minstens dient de ondertekenaar, naast diens handtekening, met de hand de vermelding ‘goed voor’ of ‘goedgekeurd voor’ geschreven te hebben, waarbij de som voluit in letters wordt uitgedrukt.

Is dat niet het geval, dan is dit document nietig als bewijsstuk. De Rechtbank was van oordeel dat het document wel nog kan dienen als begin van bewijs door geschrift (artikel 1347 BW), dat verder kan worden aangevuld met getuigen en vermoedens. De tekortkoming tast (het bestaan van) de verbintenis op zich immers niet aan.