Met het Implementatiedecreet van 26 april 2024 wordt het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving (KVH) vanaf 1 april 2026 de nieuwe standaard voor het omgevingsrecht (o.a. VCRO en DABM). De Vlaamse decreetgever voert hiermee één uniform pakket aan procedures in voor toezicht, sanctionering en herstel, ondersteund door een centrale digitalisering via het Vlaams Handhavingsplatform.
Het Implementatiedecreet maakt het handhavingsarsenaal van het KVH van toepassing op onder meer de VCRO, het DABM en het Onroerenderfgoeddecreet. De decreetgever wil hiermee afstappen van sectorale verschillen en komen tot uniforme handhavingsregels, ongeacht het betrokken beleidsdomein.
Een belangrijk instrument hierbij is het Vlaams Handhavingsplatform, dat alle handhavingsdocumenten, processen-verbaal en sanctiedossiers centraal digitaal ontsluit voor inspectiediensten, parket, politie en administraties. Dit moet leiden tot snellere, efficiëntere en een meer sluitende handhaving, met als uitgangspunt dat bestuurlijke sanctionering na seponering (de strafrechtelijke beslissing tot niet vervolging) de regel wordt. Ook de toezichthouders krijgen meer bevoegdheden.
Voor stedenbouwkundige misdrijven blijft de materiële omschrijving ongewijzigd (artikel 6.2.1., eerste lid, 1° VCRO), maar de wijze waarop deze misdrijven worden opgevolgd, gesanctioneerd en hersteld verandert wel en wordt voortaan geregeld in het KVH.
Ook de verjaringstermijnen wijzigen. Artikel 50, §1 KVH voorziet in een uniforme verjaringstermijn van 5 jaar voor de publieke herstelvordering die niet langer aanvat op de dag van voltooiing van het misdrijf, maar pas op de dag van kennisname door de herstelinstantie via een proces-verbaal of een verslag van vaststelling. Deze termijn wordt gecombineerd met een absolute verjaringstermijn van 20 jaar na het plegen van het misdrijf. Bovendien blijft het principe gelden dat het recht om publieke herstelmaatregelen op te leggen niet kan verjaren vóór het verval van de strafvordering (artikel 50, §3 KVH).
Artikel 35 KVH voorziet dan weer dat de voorziene verjaringstermijn van vijf jaar voor een administratieve geldboete start op de dag dat het proces-verbaal wordt afgesloten. Hierdoor heeft de overheid de sleutel van de verjaring zelf in handen. Door het opmaken van het proces-verbaal uit te stellen, schuift ook de verjaringstermijn op zonder dat een maximale termijn is voorzien. Bij misbruik zullen de beginselen van de redelijke termijn en van behoorlijk bestuur ongetwijfeld in de toekomst een cruciale rol spelen.
Vanaf 1 april 2026 stijgen eveneens de meerwaardebedragen aanzienlijk – in veel gevallen zelfs een verdubbeling. Hierdoor wordt het financieel afkopen van de gerealiseerde vermogenswinst door het misdrijf veel minder aantrekkelijk.
Daarnaast introduceert het KVH de mogelijkheid tot herstel bij financieel equivalent. Waar een materieel herstel in de oorspronkelijke toestand onmogelijk is, kan de overheid voortaan een bijkomende schadevergoeding vorderen voor de geleden publieke schade.
Voor feiten gepleegd vóór 1 april 2026 voorziet artikel 105 KVH in overgangsmaatregelen.
Met de inwerkingtreding van het KVH lijkt het tijdperk van het vrijblijvend plegen van bouwmisdrijven dan ook voorbij. Een efficiënter handhavingsbeleid, in combinatie met hogere meerwaardebedragen en de mogelijkheid van het opleggen van een financieel equivalent, zal daarbij naar verwachting een ontradend effect hebben.
Voor meer vragen in dit verband kan U terecht bij Mr. Koen Van den Wyngaert of Mr. Emmy De Brouwer.