Een afschrift van deze uitspraak vindt U hier.
Wij schetsen de feiten hieronder.
De heer Jean Laprade en Specter Aviation Limited waren aanvankelijk zakenpartners. In het kader van de beëindiging van hun samenwerking, kwam een overeenkomst tussen beide partijen tot stand. De heer Laprade zou daarbij, via zijn bedrijven, drie helikopters en een vliegtuig ontvangen. De beschrijving van het te ontvangen vliegtuig in de overeenkomst kwam evenwel niet overeen met het vliegtuig, waarover werd gesproken tijdens de onderhandelingen. Het verschil tussen beide vliegtuigen bedroeg meer dan 1 miljoen Canadese dollar. In de marge van dit geschil werd in 2019 een vliegtuig Model 300 Beechcraft in beslag genomen op de luchthaven van Sherbrooke te Canada, vermits moest worden nagegaan wie de eigenaar van dit vliegtuig was.
De partijen legden hun geschil voor aan de arbitrage-instantie Chambre arbitrale internationale de Paris. CAIP besloot in 2021 in het nadeel van de heer Laprade, m.n. zou volgens CAIP louter een materiële vergissing in de overeenkomst m.b.t. de beschrijving van het vliegtuig zijn geslopen, doch zou de heer Laprade wel degelijk hebben geweten dat aan hem een vliegtuig van het type BN2A-21 van producent Britten-Norman en geen vliegtuig van het type Model 300 van producent Beechcraft toekwam. Het vliegtuig Model 300 Beechcraft was dus eigendom van Specter Aviation Limited en niet van de heer Laprade.
De heer Laprade vocht de bekrachtiging van deze arbitrale beslissing aan voor het Hooggerechtshof van Québec. Hij beriep zich daarbij – op een volgens het Hooggerechtshof wanordelijke wijze – op verschillende argumenten gaande van beweerd machtsmisbruik door CAIP tot procedurele onregelmatigheden en schending van diverse grondrechten. Het Hooggerechtshof van Québec oordeelde dat zij conform artikel 646 van de Code de Procédure Civile m.b.t. een arbitrale beslissing enkel kon toetsen of de te volgen procedure correct was gevolgd. Vermits dit het geval was, kon zij niet anders dan de arbitrale beslissing bekrachtigen en het vliegtuig Model 300 toewijzen aan Specter Aviation.
Het Hooggerechtshof van Québec stelde evenwel vast dat de heer Laprade ter ondersteuning van zijn betoog verwees naar niet minder dan acht niet-bestaande en dus fictieve rechterlijke uitspraken, waarvan de heer Laprade achteraf toegaf dat ze mogelijk door artificiële intelligentie waren “verzonnen”.
Volgens het Hooggerechtshof van Québec trachtte de heer Laprade hiermee het Hof te misleiden en was er sprake van procesrechtsmisbruik in hoofde van de heer Laprade.
Het gegeven dat de heer Laprade niet werd bijgestaan door een raadsman en inriep dat de artificiële intelligentie hem moest helpen een afdoende verdediging te voeren en een level playing field te creëren, werd door het Hooggerechtshof terzijde geschoven.
Ook een rechtsonderhorige zonder raadsman dient zich volgens het Hof te houden aan bepaalde normen en mag niet met een dergelijke lichtzinnigheid een argumentatie opbouwen. Het Hof wijst er daarbij op dat de toegang tot het recht niet alleen een recht, maar ook een voorrecht is. Om het Hof toe te laten dit voorrecht terdege te kunnen garanderen, mag worden verwacht dat alle partijen een bijdrage leveren om basisregels na te leven, ongeacht of zij nu zelf een advocaat zijn of niet.
De heer Laprade heeft dit nagelaten.
Om die redenen achtte het Hooggerechtshof van Québec het aangewezen om een boete van 5000 Canadese dollar op te leggen.
Ook in België laat artikel 780bis Ger.W. toe dat iemand wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens procesrechtsmisbruik, indien de procedure is gevoerd en de rechten werden uitgeoefend op een wijze die kennelijk de perken van de normale uitoefening door een bedachtzaam en zorgvuldig persoon te buiten gaat (zie o.m. Cass. dd. 27 januari 2022, C.21.0281.N).
Het moge duidelijk zijn dat artificiële intelligentie geen substituut kan vormen voor degelijke juridische bijstand van een advocaat en dat ook Belgische rechtbanken de voorlegging van fictieve uitspraken niet zullen waarderen.
Wel sluit Schuermans advocaten zich aan bij de volgende bedenking van het Hooggerechtshof van Québec in de tussengekomen uitspraak:
“Inutile de stigmatiser l’usage de l’intelligence artificielle. Ceux qui le feront auront tôt fait d’oublier le sort réservé aux sbires qui se refusaient aux promesses et avantages que l’Internet devait apporter, il n’y a que quelques années. Les avancées technologiques ne permettent pas l’attentisme et l’appareil judiciaire doit s’adapter en amont plutôt qu’en aval. En outre, toute mesure technologique pouvant permettre de favoriser l’accès au système de justice au citoyen devrait être saluée et encadrée plutôt que d’être proscrite et stigmatisée.”.
Vrij vertaald:
“Het is niet zinvol om het gebruik van artificiële intelligentie te stigmatiseren. Zij die dat doen, zullen snel het lot vergeten van zij die zich verzetten tegen de beloften en voordelen die het internet enkele jaren geleden met zich zou meebrengen. Technologische vooruitgang laat geen afwachtende houding toe en het gerechtelijk apparaat moet zich eerder vroeger dan later aanpassen. Bovendien moet elke technologische vooruitgang die de toegang van de burger tot het rechtssysteem bevordert worden toegejuicht en gekaderd in plaats van verboden en gestigmatiseerd te worden.”.
Inderdaad moet steeds worden nagegaan of artificiële intelligentie een aanvulling kan bieden op gedegen juridische kennis en ervaring. Controle mag daarbij niet leiden tot inherent wantrouwen of zelfs de weigering om een goede bron onbenut te laten.
Zo U omtrent dit onderwerp nog vragen heeft, kan U hiervoor steeds terecht bij Mr. Andries Gobert.