Verzekering van tienjarige aansprakelijkheid van sommige bouwactoren

De Rechtbank van Koophandel Antwerpen, afdeling Antwerpen, besloot op 24 januari 2017 dat de verzekeringstussenpersoon een fout begaat indien een polis niet beantwoordt aan de verlangens en noden van de verzekerde zoals bepaald in artikel 273 §3 Wet Verzekeringen van 4 april 2014 (rolnummer A/15/07006). In dit vonnis werd berust.

Studiebureaus bestaande uit ingenieurs worden geassimileerd door de rechtspraak en rechtsleer met architecten wat betreft hun tienjarige aansprakelijkheid (Brussel 29 november 1979, Res Jur. Imm. 1980, 123; Antwerpen 13 januari 1991, Lim.Rechtsl. 1993, 140; Antwerpen 26 januari 2009, TBO 2008, 225; G. Baert, “Privaatrechtelijk bouwrecht”, APR 1994, 795; K. Marchand, “De ingenieur en het studiebureau”, in K. Deketelaere, M. Schoups, A.L. Verbeke (eds.), Handboek Bouwrecht, 2013, 999 e.v.; K. Ver Berne, J. Embrechts en S. Beyaert, “Tienjarige aansprakelijkheid”, in Onroerend goed in de praktijk, 2012, IV.D.3.1 – IV.D.3.3).

Het is volgens de Rechtbank van Koophandel Antwerpen, afdeling Antwerpen, vanzelfsprekend dat de tienjarige aansprakelijkheid een belangrijk onderdeel uitmaakt van de risico’s van ingenieurs en studiebureaus. Zij sluiten overeenkomsten met bouwheren, aannemers of architecten om bouwwerken te ontwerpen en om toe te zien op de bouw ervan of hieromtrent advies te verlenen. De taak van ingenieurs bestaat immers onder andere uit voorafgaandelijke studies, het opmaken van uitvoeringsplannen, werftoezicht etc. (K. Marchand, “De ingenieur en het studiebureau”, in K. Deketelaere, M. Schoups, A.L. Verbeke (eds.), Handboek Bouwrecht, 2013, 999).  

In de volgende gevallen komt de tienjarige aansprakelijkheid van een ingenieur in het gedrang:

  • De ingenieur heeft een contract met de bouwheer-opdrachtgever. In dit geval beschikt de bouwheer over een rechtstreekse contractuele vordering tegen de ingenieur;
  • Een architect moet voor de bouwheer een ingenieur zoeken en het contract beperkt zich enkel tot dit aspect. Zo komt er een contract tot stand tussen de ingenieur en de bouwheer zelf en de bouwheer beschikt over een rechtstreekse contractuele vordering tegen de ingenieur. Dit is niet het geval als de ingenieur een onderaannemer is van de architect, maar in dat geval kan de architect de ingenieur wel in vrijwaring aanspreken;
  • Een aannemer die op eigen kosten en voor eigen rekening een beroep doet op een ingenieur, kan de ingenieur in vrijwaring aanspreken als de aannemer aansprakelijk wordt gesteld voor de fouten van de ingenieur.

In casu moest de verzekeringstussenpersoon weten dat het studiebureau een dekking voor de tienjarige aansprakelijkheid behoefde.

De verzekeringstussenpersoon moet nauwgezet nagaan hoe ver de dekking van een bepaalde polis reikt en of deze overeenkomt met de verlangens en noden van de verzekerde.

Het volstaat niet dat een polis de tienjarige aansprakelijkheid enkel dekt onder verwijzing naar de wet Laruelle van 25 april 2007, die enkel van toepassing is op architecten. Aan een studiebureau kan immers heel wat andere werken worden toevertrouwd dan deze die opgenomen zijn in de wet Laruelle.

Het Grondwettelijk Hof heeft reeds besloten dat het gebrek aan verzekeringsplicht voor andere bouwactoren een discriminatie ten nadele van de architect betekent. De Federale Ministerraad keurde een voorontwerp van wet goed houdende de invoering van een verzekeringsplicht voor alle bouwactoren, inclusief voor studiebureaus. Deze toekomstige wet zal waarschijnlijk pas op 1 januari 2018 in werking treden. Zie ook onze nieuwsbijdrage van 30 november 2016.