Over het ereloon en de kosten van de curator

De curator verzocht de rechtbank het faillissement te sluiten bij gebreke aan actief en zijn ereloon en kosten te begroten ten laste van de kredietverschaffende bank van de gefailleerde op basis van een na faillissement op de rekening ontvangen betaling vanwege een leverancier van de gefailleerde.

De curator steunde zich daarvoor op twee rechtsgronden:

  • enerzijds het Koninklijk Besluit van 26 april 2018 houdende vaststelling van de regels en barema’s tot bepaling van de kosten en het ereloon van insolventiefunctionarissen; en
  • anderzijds de artikelen 1984 e.v. (oud) Burgerlijk Wetboek betreffende het mandaat cq. de lastgeving.

In een goed gemotiveerd vonnis wees de rechtbank de vordering van de curator tot begroting van zijn ereloon en kosten ten laste van de bank af.

Wat betreft de grondslag van de ereloonbegroting en bijhorende kosten zoals vervat in artikel 6 §1 van voormeld KB dd. 26 april 2018, wees de rechtbank er terecht op dat het na faillissement ontvangen bedrag geen “bedrag is dat naar aanleiding van het faillissement aan de boedel is te beurt gevallen” zoals nochtans vereist volgens zelfde artikel 6 §1 KB dd. 26 april 2018.

De door de bank ingeroepen inpandgeving van de schuldvorderingen van de gefailleerde was immers wel degelijk tegenwerpelijk aan de boedel, zodoende dat het onderpand van de bijzonder bevoorrechte schuld niet te beurt valt aan de boedel, maar slechts aan de individuele schuldeiser-separatist. Dit onderpand maakt bijgevolg geen deel uit van de ereloonbasis in de zin van voormeld artikel 6 §1 KB dd. 26 april 2018.

Wat betreft de vraag of de curator krachtens een bijzonder mandaat van de bank tot inning van de schuldvordering van de gefailleerde bij de leverancier overging, komt het in principe aan de bank als schuldeiser-separatist zelf toe om tot inning daarvan over te gaan.

De bank staat in beginsel buiten de eigenlijke faillissementswerkzaamheden. Zij kan evenwel de taak van de verzilvering van haar onderpand overlaten aan de curator, doch daartoe is een minstens ondubbelzinnige impliciete opdracht van harentwege aan de curator vereist.

In het voorliggende geval waren er geen elementen voorhanden die toelaten te besluiten dat de kredietverschaffende bank de curator zou hebben gemandateerd om namens haar tot inning van de schuldvordering over te gaan, zelfs niet impliciet.

Samengevat was er in de voorliggende zaak aldus geen reden voorhanden om het ereloon en de kosten van de curator ten laste van de bank cq. schuldeiser-separatist te leggen.

In het vonnis werd berust door de curator, zodat het thans definitief is.

In geval van vragen over deze materie helpt Schuermans advocaten U graag verder.