Over Brussel Ibis, cessie en het begrip “getroffene” in verzekeringszaken

De artikelen 10 tot en met 16 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna Brussel Ibis Verordening), bieden een bescherming aan de zwakke partij in verzekeringszaken. Zo kan de verzekerde bijvoorbeeld de verzekeraar dagvaarden voor het gerecht van zijn woonplaats.

Artikel 13.2 Brussel Ibis Verordening bepaalt dat deze beschermingsregels van toepassing zijn op de vordering die door de getroffene rechtstreeks tegen de verzekeraar wordt ingesteld, indien de rechtstreekse vordering mogelijk is.

In het geschil dat aan de basis lag van het arrest van het Europees Hof van Justitie van 31 januari 2018 (C-106/17) ontstond er discussie over het begrip “getroffene”.

De Poolse eigenaar van een voertuig had een schuldvordering tot betaling van schadevergoeding lastens een Duitse verzekeraar. Hij had hieromtrent een overeenkomst voor cessie gesloten met een beroepsbeoefenaar die schadevergoedingen bij verzekeraars invordert.

Krachtens Pools – en tevens krachtens Belgisch – recht gaan bij cessie van schuldvorderingen alle daarmee verbonden rechten over. Betekent dit dat die beroepsbeoefenaar ook beroep kan doen op de gunstige bevoegdheidsregels en dus “getroffene” is?

Volgens het Hof niet. Artikel 13.2 heeft weliswaar tot doel om de opsomming van eisers die de gunstige bevoegdheidsregels kunnen inroepen, aan te vullen met personen die niet rechtstreeks schade hebben geleden, maar het doel is en blijft het beschermen van de zwakke partij.

Personen die geen bescherming nodig hebben, kunnen bijgevolg geen beroep doen op deze gunstige bevoegdheidsregels.

Aangezien het hier ging om een beroepsbeoefenaar in de verzekeringssector, ook al had deze een kleine structuur én was deze cessionaris van de schuldvordering, kon deze niet beschouwd worden als “getroffene” om de gunstige bevoegdheidsregels in te roepen.

Het Hof blijft dus teruggrijpen naar een belangrijk principe: de afwijkingen van het beginsel dat de rechter van de lidstaat waar de verweerder zijn woonplaats heeft, bevoegd is, moeten uitzonderlijk zijn en strikt worden uitgelegd.