Hypothecaire schuldeiser en aangifte van schuldvordering: Hof van Cassatie schept verduidelijking

Het Hof van Cassatie geeft niet al teveel theoretische beschouwingen in het arrest weer. Het Hof stelt eenvoudigweg artikel 62 Faill.W. (zoals thans geïncorporeerd in het WER) tegenover artikel 1326 Ger.Wb en doet vervolgens uitspraak in voordeel van artikel 1326 Ger.Wb..

Volgens artikel 62 Faill.W. is een schuldeiser, om in aanmerking te komen voor een uitdeling alsmede om enig recht van voorrang te kunnen uitoefenen, gehouden aangifte te doen van zijn schuldvorderingen uiterlijk op de door het vonnis van faillietverklaring bepaalde dag. Deze verplichting is algemeen en geldt ook voor hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers. Schuldeisers die in gebreke blijven hun schuldvorderingen aan te geven, komen krachtens artikel 72, eerste lid Faill.W. niet in aanmerking voor enige uitdeling uit de boedel. Krachtens artikel 72, derde lid Faill.W. verjaart het recht de opname te vorderen in het faillissement, in beginsel, na verloop van een jaar te rekenen vanaf het faillissementsvonnis.

Daarentegen brengt in toepassing van artikel 1326 Ger.Wb. de verkoop door de curator van de onroerende goederen van de gefailleerde, van rechtswege de overwijzing mee van de prijs ten behoeve van de ingeschreven hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers en de zuivering van de genomen inschrijvingen.

Het Hof heeft nu in zijn arrest van 12 maart 2020 voor meer rechtszekerheid gezorgd door te oordelen dat uit deze bepalingen volgt dat hypothecaire en bevoorrechte schuldeisers niet kunnen uitgesloten worden van de verdeling of de rangregeling van de verkoopopbrengst van de bezwaarde onroerende goederen om reden dat zij geen tijdige aangifte hebben gedaan van hun schuldvordering.

Voor meer informatie kunt u Schuermans advocaten contacteren.