De herleving van de strafvordering van een verjaarde verkeersovertreding schendt de Grondwet

Middels de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid (hierna: wet van 6 maart 2018) werd de verjaringstermijn van een gewone verkeersovertreding verlengd van één naar twee jaar (art. 25, 1° wet van 6 maart 2018 - art. 69 van de Wegverkeerswet).

Hoewel voormelde wet pas in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd op 15 maart 2018, werd de datum van inwerkingtreding van het grootste deel van deze wet vastgelegd op 15 februari 2018 (art. 26 wet van 6 maart 2018). Hieruit vloeit voort dat deze wet derhalve terugwerkende kracht heeft en de strafvordering herleeft voor feiten die in principe reeds verjaard zouden zijn.

De terugwerkende kracht van deze verlengde verjaringstermijn is met name problematisch voor feiten die –overeenkomstig de oude wetgeving- zouden verjaren tussen 15 februari 2018 (de datum van de retroactieve inwerkingtreding van deze wet) en 15 maart 2018 (de publicatiedatum van deze wet).

Ter illustratie: een strafvordering zou verjaard zijn op 20 februari 2018. N.a.v. de retroactieve inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018 wordt dat plots 20 februari 2019. Een reeds verjaarde strafvordering herleeft aldus ingevolge een latere publicatie van een wet in het Belgisch Staatsblad. Concreet kon de betrokkene, hoewel hij ervan mocht uitgaan dat de verjaringstermijn reeds verstreken was, plotseling alsnog vervolgd worden.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest van 4 april 2019 (nr. 54/2019) dat het voorgaande een schending inhoudt van de Grondwet.

Het Hof maakt in zijn arrest het onderscheid tussen de onmiddellijke inwerkingtreding van een wet die de verjaringstermijn van de strafvordering verlengt en deze die een verlening van een verjaringstermijn met terugwerkende kracht invoert.

Aangaande de wetten die onmiddellijk in werking treden en alsdan de verjaringstermijn van een (niet-verjaarde) strafvordering verlengen, verwijst het Hof naar zijn eerdere rechtspraak (o.a. arrest nr. 165/2015) waarin wordt gesteld dat dit geen schending van de Grondwet uitmaakt.

Echter een wet die een verlenging van een verjaringstermijn met terugwerkende kracht invoert, doet, aldus het Hof, zonder dat daarvoor enige redelijke verantwoording kan bestaan afbreuk aan de waarborg van de rechtszekerheid die met de verjaring wordt beoogd. De inwerkingtreding met terugwerkende kracht van artikel 25, 1° van de wet van 6 maart 2018 wordt daarenboven op geen enkele wijze verantwoord in de parlementaire voorbereiding van deze wet.

Besluitend kan worden gesteld dat overeenkomstig dit arrest van het Grondwettelijk Hof opnieuw de verjaringstermijn van één jaar toepassing vindt voor feiten die –overeenkomstig de oude wetgeving- zouden zijn verjaard tussen 15 februari 2018 en 15 maart 2018.

Schuermans advocaten helpt u graag bij eventuele vragen hieromtrent.