Cassatie over de toepassing van de strafwet in de tijd en de invloed van bestraffingsmodaliteiten

De wet voorziet voor de bestraffing van misdrijven een heel arsenaal aan sancties, waaronder de gevangenisstraf, de geldboete, de werkstraf, de verbeurdverklaring etc. Voor bepaalde van deze straffen kan de wetgever in bestraffingsmodaliteiten voorzien. Zo kan bijvoorbeeld een (probatie-)uitstel van een straf worden toegestaan. Dat impliceert dat de straf wel wordt uitgesproken, maar dat de effectieve tenuitvoerlegging ervan gedurende een bepaalde proeftijd wordt uitgesteld. Dit uitstel kan eventueel gekoppeld worden aan voorwaarden. Een andere mogelijke bestraffingsmodaliteit is de (probatie-)opschorting van de uitspraak van de veroordeling. In dit geval worden de feiten wel bewezen geacht, maar wordt er helemaal geen straf uitgesproken. Met andere woorden: voor een beklaagde kunnen deze modaliteiten een belangrijk verschil betekenen voor zijn effectieve straf.

Gelet op het belang van deze modaliteiten, is het interessant om te weten in welke mate de wetgever deze kan wijzigen. Het antwoord is terug te vinden in artikel 2 van het Strafwetboek (afgekort: Sw.). Deze bepaling voorziet in twee belangrijke principes. Het eerste houdt in dat een misdrijf niet kan worden gestraft met straffen die niet bij wet waren gesteld voordat het misdrijf werd gepleegd (het legaliteitsbeginsel). Een tweede principe van artikel 2 Sw. is dat van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet. Dit impliceert dat indien de straf, ten tijde van het vonnis bepaald, verschilt van de straf die ten tijde van het misdrijf was bepaald, de minst zware straf wordt toegepast.

In een arrest van 13 mei 2015 boog het Hof van Cassatie zich over de verhouding tussen de strafbepalingsmodaliteiten en artikel 2 Sw. De vraag die voor lag was de volgende: is een straf waarvoor geen uitstel mag worden gegeven per definitie zwaarder dan een straf waarvoor de rechter dit wel mag doen? Voor dit arrest bestond hier geen duidelijkheid over.

De vraag kwam er naar aanleiding van een wetswijziging die was doorgevoerd in de periode tussen het plegen van het misdrijf en het bestraffen van het misdrijf. Deze wetswijziging zorgde ervoor dat uitstel van de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring onmogelijk werd, terwijl dit voordien wel kon. De appelrechters hadden beslist dat zij de wetgeving in voege op het ogenblik van de bestraffing moesten toepassen, waardoor een uitstel dus niet meer mogelijk was.

Het Hof van Cassatie floot de appelrechters terug, en oordeelde dat zij het principe van de terugwerkende kracht van de mildere strafwet hadden geschonden door de nieuwe wetgeving toe te passen op feiten die gepleegd waren voor de inwerkingtreding ervan. De beslissing van het Hof toont aan dat uitstel een bestraffingsmodaliteit is die integraal deel uitmaakt van de straf. De wettelijke mogelijkheid om er al dan niet van te genieten, moet met andere woorden voorzienbaar zijn op het moment dat het misdrijf gepleegd wordt. Artikel 2 Sw. is dus wel degelijk van toepassing.