Betalingsachterstand bij handelstransacties tekstueel ontleed

De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties is gebaseerd op Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties.

De Nederlandstalige versie van artikel 6 van deze Richtlijn bepaalt dat een schuldeiser, wanneer bij handelstransacties interest voor betalingsachterstand verschuldigd is, minstens een vast bedrag van 40 EUR mag invorderen. Naast dat vast bedrag kan de schuldeiser aanspraak maken op een redelijke schadeloosstelling door de schuldenaar voor alle door diens betalingsachterstand ontstane invorderingskosten welke dat vaste bedrag te boven gaan. Dezelfde verwoording komt terug in de Griekse en Italiaanse vertaling van deze Richtlijn.

De Engelse versie van artikel 6 van deze Richtlijn spreekt echter over “andere invorderingskosten” (other recovery costs), evenals de Franse versie (autre frais de recouvrement).

De Belgische wet verwoordt de laatste zinsnede in artikel 6 als volgt: “alle andere invorderingskosten”, ogenschijnlijk in tegenstelling tot de “eigen invorderingskosten”.

Een Tsjechische rechter vroeg aan het Europees Hof van Justitie welke versie de juiste is.

De feiten die aan de grondslag liggen van het arrest kunnen samengevat worden als volgt. Eiser en verweerder hadden een verzekeringsovereenkomst afgesloten. Deze overeenkomst werd echter opgezegd wegens niet-betaling van de verzekeringspremies. De verzekeraar vorderde de betaling van de premies, alsook de wettelijke interest, de kosten voor invordering ten bedrage van ongeveer 46 EUR en de terugbetaling van procedurekosten. Volgens Tsjechisch recht vallen aanmaningskosten onder procedurekosten.

De rechter vroeg zich af of, naast de vaste vergoeding van 40 EUR, overeenkomstig de nationale procedureregels een vergoeding voor de aanmaningskosten moet worden toegekend.

In zijn arrest van 13 september 2018 (C-287/17) heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld dat de Richtlijn tot doel heeft om de schuldeisers doeltreffend te beschermen tegen betalingsachterstand en dat dergelijke bescherming impliceert dat de schuldeiser een zo volledig mogelijke vergoeding wordt geboden voor de door hem gemaakte invorderingskosten.

Om die reden heeft het Hof geoordeeld dat een schuldeiser in ieder geval recht heeft op 40 EUR voor de invorderingskosten en tevens op een redelijke schadeloosstelling voor alle kosten die dat bedrag te boven gaan.