Bestuurlijke lus 3.0 doorstaat toets Grondwettelijk Hof

Met een Decreet van 3 juli 2015 voerde de Vlaamse wetgever voor een derde maal een regelgeving in omtrent de toepassing van de zogenaamde bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Milieuhandhavingscollege.

De bestuurlijke lus wordt omschreven als de mogelijkheid voor “de verwerende partij in het bodemgeding om met een herstelbeslissing de onwettigheid in de bestreden beslissing te herstellen of te laten herstellen”.

Een eerste bestuurlijke lus werd vernietigd door het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 8 mei 2014 (nr. 74/2014) en een tweede in zijn arrest van 29 oktober 2015 (nr. 152/2015).

Ditmaal doorstaat de bestuurlijke lus wel de grondwettoets, aldus het Grondwettelijk Hof.

De nieuwe regelgeving voorziet dat het vernietigingsberoep zal worden uitgebreid met de herstelbeslissing, waarna het bestuursrechtscollege zal oordelen of de vastgestelde onwettigheid werd hersteld en of de herstelbeslissing niet is aangetast door een nieuwe onwettigheid.

De praktijk zal moeten uitwijzen of deze bestuurlijke lus 3.0 niet een maat voor niets zal zijn.

De regelgeving bepaalt immers niet uitdrukkelijk dat een verzoekende partij tegen de oorspronkelijke beslissing nooit een belanghebbende kan zijn die de herstelbeslissing, na bekendmaking overeenkomstig het toepasselijke Decreet, ‘opnieuw’ kan aanvechten voor de bestuursrechter.

Ofschoon in de parlementaire voorbereiding bij het Decreet van 3 juli 2015 wordt gesteld dat een nieuwe beroepsmogelijkheid expliciet is bedoeld voor belanghebbenden die geen partij waren in de procedure voor het Vlaamse bestuursrechtscollege, stelt het Grondwettelijk Hof dat aangezien er niet wordt hersteld in de oorspronkelijke beslissing, maar in een nieuwe herstelbeslissing, één van de oorspronkelijke partijen, die op het ogenblik van de bekendmaking van de herstelbeslissing een belanghebbende is, de mogelijkheid heeft beroep in te stellen tegen de herstelbeslissing.

Het is weliswaar zo dat nieuwe middelen tegen deze herstelbeslissing zullen moeten worden aangewend vermits de bestuursrechter de taak heeft gekregen om alle middelen te beslechten in zijn tussenuitspraak waarin de bestuurlijke lus wordt bevolen. Tevens moet worden herhaald dat de herstelbeslissing zelf, en de eventuele onwettigheden die daaraan kleven, ook in het eerste beroep zal worden onderzocht.

Eén en ander lijkt alleszins een nieuwe terechte poging om sneller duidelijkheid te scheppen in de legaliteitsstatus van een vergunning of een bestuurlijke geldboete.