Bemiddeling als alternatieve vorm van geschillenoplossing in opmars maar niet altijd meer helemaal “vrijwillig”

In België wordt nog steeds het grootste aandeel van geschillen beslecht door een traditionele (overheids-)rechter.  Nochtans worden de laatste jaren meer en meer impulsen gegeven om geschillen via alternatieve weg te kunnen oplossen om zo tot efficiëntere procedures en het wegwerken van de gerechtelijke achterstand te komen.  Dit werd nog uitdrukkelijk opgenomen in het Regeerakkoord van de federale Vivaldi-regering van september 2020.  

Zo wordt de vrijwillige bemiddeling (niet alleen in familiale zaken maar zeker ook in burgerlijke, ondernemingszaken en bestuurszaken) meer en meer gepromoot als vorm van geschiloplossing die sneller en efficiënter zou moeten zijn dan de gerechtelijke weg. Deze vorm van alternatieve geschiloplossing is aangewezen bij de wens en behoefte aan een blijvende en versterkte samenwerking tussen partijen. Het proces van de bemiddeling is overigens vertrouwelijk (in tegenstelling tot de gerechtelijke beslechting), wat ook een voordeel kan zijn ten aanzien van de klassieke gerechtelijke procedure.

Meer en meer wordt het bemiddelingsbeding in overeenkomsten ingelast.  Partijen kunnen zich er in hun overeenkomst toe verbinden om bij eventuele geschillen in het kader van de uitvoering van hun overeenkomst eerst beroep te zullen doen op (buitengerechtelijke) bemiddeling alvorens ze zich tot de rechter kunnen wenden.

Sinds de Wet van 18 juni 2018 op de bemiddeling (geschillenoplossing via een neutrale onafhankelijke erkende bemiddelaar) is trouwens voorzien in de mogelijkheid voor de rechter om partijen bij de aanhangig making van een geschil voor de rechtbank door te verwijzen naar een (gerechtelijke) bemiddeling, ook als niet alle partijen daarmee akkoord gaan.  Enkel als alle partijen zich verzetten, zal een verwijzing naar een gerechtelijke bemiddeling in toepassing van artikel 1734 § 1 van het Gerechtelijk Wetboek onmogelijk zijn. 

Vrijwilligheid om deel te nemen aan en mee te werken aan een bemiddeling is nochtans een basisvereiste voor zowel de buitengerechtelijke als de gerechtelijke bemiddeling.

De vraag kan gesteld worden in welke mate de gerechtelijke bemiddeling haalbaar is en gestoeld is op de basisvoorwaarde van de vrijwilligheid wanneer een bemiddeling tegen de wil van 1 van de partijen wordt opgelegd.  We kijken met veel interesse uit naar de evolutie van rechtspraak en praktijk op dit vlak.  Zeker is dat in navolging van Europese rechtspraak de totale procedure voor een partij niet mag verlengd worden en verzwaard in kosten door het opleggen van een verplichte bemiddelingspoging.