Aansprakelijkheid van een verzekeringstussenpersoon en de taak van een leidend verzekeraar bij co-assurantie

De Rechtbank van Koophandel Antwerpen, afdeling Antwerpen, heeft op 7 februari 2017 een interessant vonnis geveld omtrent twee veelvoorkomende problemen in het verzekeringsrecht.   De feiten die aan de grondslag liggen van dit vonnis, kunnen samengevat worden als volgt.

De verzekeringsmakelaar onderzoekt de beveiliging van een pand met het oog op het afsluiten van een verzekeringspolis diefstal en laat aan de vier potentiële medeverzekeraars weten dat er een sas aanwezig is.

De verzekeraars organiseren twee dagen voor het afsluiten van de polis zelf nog een expertise omtrent de veiligheid van het pand. Een jaar later laat deze expert weten aan de verzekeraars dat er geen sas aanwezig is.

Ondertussen vond er echter een gewapende overval plaats. Er ontstaat een discussie tussen de verzekeraars omtrent de dekking van het schadegeval. Drie van de vier verzekeraars weigeren dekking omdat er geen sas aanwezig is maar de leidende verzekeraar heeft al een vergoeding afgesproken met de verzekerde.

Finaal besluiten de medeverzekeraars hun aandeel toch te betalen, maar zij vragen de leidende verzekeraar wel om de mogelijkheid te onderzoeken om verhaal uit te oefenen op de verzekeringsmakelaar. De leidende verzekeraar weigert op dit verzoek in te gaan.

De medeverzekeraars dagvaarden enerzijds de verzekeringsmakelaar en anderzijds de leidende verzekeraar.

De Rechtbank besluit eerst dat de aansprakelijkheid van de makelaar niet in het gedrang komt. De rechtbank hecht hierbij vooral veel belang aan de expertise die de verzekeraars zelf hebben laten uitvoeren. De makelaar kon en mocht ervan uitgaan dat de verzekeraars spoedig en grondig zouden bericht worden aangaande de (veiligheids)toestand van het te verzekeren risico. De makelaar heeft de verzekeraars niet misleid door het risico beweerdelijk opzettelijk, wetens en willens, foutief voor te stellen.

De Rechtbank besluit verder dat ook de leidend verzekeraar niets verweten kan worden. De “leadership” clausule in de verzekeringspolis bepaalt dat de leidend verzekeraar met de verzekerde een regeling kan afsluiten omtrent schadeclaims die bindend zijn voor de andere medeverzekeraars.

Dit contractuele mandaat gaat aanzienlijk verder dan de wettelijke taak van een leidend verzekeraar betreffende de regeling van een schadegeval. Volgens rechtsleer en rechtspraak bestaat deze wettelijk taak erin om maatregelen tot vaststelling van de schade te nemen, zoals het organiseren van deskundigenonderzoeken en het vaststellen van een bedrag van de schadevergoeding. Het strekt zich in de regel niet uit tot het betalen van het aandeel van de medeverzekeraars, het nemen van een beslissing omtrent de dekking van een schadegeval of het afsluiten van een dading (C. Van Schoubroeck, “Over leiden en lijden bij medeverzekering”, R.D.C. 2013/06, 543 en de verwijzingen aldaar).

De Rechtbank bevestigt bijgevolg dat de taak van een leidend verzekeraar contractueel kan worden uitgebreid door de medeverzekeraars (Antwerpen 15 september 2010, TBH 2013/6, 535).

Verder is de beslissing van een leidend verzekeraar om geen verhaal uit te oefenen tegen de makelaar geen afstand van verhaal in hoofde van de medeverzekeraars, aangezien zij afzonderlijk nog verhaal kunnen instellen.

De partijen hebben in het vonnis berust.